Bestuurdersaansprakelijkheid bij de VvE: uitspraak rechtbank Den Haag (5 november 2025)
Ik schreef al eerder over bestuurdersaansprakelijkheid binnen de VvE. Ditmaal bespreek ik de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:21386).
Waar gaat het over?
In 2021 ontstaat er lekkage in de gemeenschappelijke delen van een VvE-complex, met forse wateroverlast tot gevolg — onder meer in het appartement van de (inmiddels oud-)voorzitter van de VvE. De voorzitter treedt voortvarend op en geeft een bouwbedrijf opdracht om direct te beginnen met herstelwerkzaamheden. Ook worden de verzekeraars ingeschakeld. Zij berekenen dat een deel van de schade gedekt wordt door de opstalverzekering van de VvE en een ander deel door de inboedelverzekeringen van de individuele eigenaren.
Daarna gaat het echter mis. De voorzitter laat de toegekende € 45.000 op zijn privérekening storten. Het bouwbedrijf begint met slopen, maar rondt de werkzaamheden niet af. Een garantie voor onrust onder de overige bewoners.
Uiteindelijk blijkt — op zijn zachtst gezegd — dat de voorzitter zijn zaken niet op orde heeft. Toestemming ontbreekt, facturen ontbreken, en verantwoording al helemaal. De leden accepteren dit niet en besluiten de voorzitter aansprakelijk te stellen wegens bestuurdersaansprakelijkheid.
Juridisch kader: wanneer is een VvE-bestuurder aansprakelijk?
Een bestuurder van een VvE is tegenover de vereniging gehouden zijn taken behoorlijk te vervullen. Doet hij dat niet, dan leidt dat niet automatisch tot bestuurdersaansprakelijkheid. Voor aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).
Om dat te beoordelen kijkt de rechtbank naar alle omstandigheden van het geval, waaronder het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is.
Verweer van de bestuurder
De voorzitter stelt dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens hem handelde hij steeds in het belang van de VvE en was sprake van een noodsituatie waarin directe actie noodzakelijk was. Hij hoefde volgens eigen zeggen niet te wachten op toestemming van de vergadering. Dat de facturen niet kloppen, kan zo zijn, maar zou volgens hem niet relevant zijn: het verzekeringsgeld is immers voor de VvE aangewend, dus schade zou er niet zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt dit verweer niet en oordeelt dat de voorzitter niet heeft gehandeld met het inzicht en de zorgvuldigheid die van hem mochten worden verwacht. Hem wordt een ernstig verwijt gemaakt. De rechtbank zet de tekortkomingen kernachtig op een rij:
-
Het zonder toestemming van de vergadering verlenen van vervolgopdrachten aan het ingeschakelde bouwbedrijf.
-
Het laten uitbetalen van de verzekeringsgelden op een privérekening.
-
Het ontbreken van een deugdelijke verantwoording over de verrichte betalingen.
-
Het ontbreken van facturen ter onderbouwing van die betalingen.
Alles bij elkaar kan de rechtbank niet vaststellen waaraan het verzekeringsgeld is besteed.
Vrijwillig bestuurder? Geen excuus
Interessant is de overweging over het vrijwillige karakter van de bestuursfunctie. De rechtbank stelt:
“Dat [gedaagde] zijn functie als bestuurslid van de VvE vrijwillig vervulde, doet aan het voorgaande niet af. Het feit dat sprake is van een onbetaalde bestuursfunctie maakt weliswaar dat lichtere eisen gesteld worden dan aan betaalde, professionele bestuurders, maar ook bij een vrijwillig vervulde functie zijn bestuursleden gehouden een zorgvuldige financiële huishouding te waarborgen. Daarvan is in dit geval geen sprake.”
Uitkomst: terugbetalen
De ex-voorzitter moet het volledige bedrag terugbetalen. Wrang is dat er wel enige werkzaamheden zijn verricht, terwijl het appartement van de voorzitter ten tijde van de mondelinge behandeling nog steeds onbewoonbaar was.
